De Heilige Gummarus

 

 De vita van Sint-Gummarus

In de vita van Sint-Gummarus, waarschijnlijk geschreven op het einde van de 10de eeuw, wordt verteld dat Sint-Gummarus als jonge man aan het koninklijk hof van de Merovingers heeft vertoefd en gehuwd was met een zekere Grimmara. Hij zou landheer zijn geweest van een villa met uitgestrekte gronden in het Lierse, en zelfs diensten bewezen hebben als ridder-bevelhebber van Merovingische troepen.

Een kerkje boven zijn graf

De historische waarheid is allicht dat Sint-Gummarus een asceet-missionaris was omstreeks de tweede helft van de zevende eeuw, die leefde en stierf (714) op een eilandje 'Nivesdunc', gevormd in het waterrijke gebied aan de samenloop van beide Neten. De man muntte uit in rechtvaardigheid, eerlijkheid, goedheid, vergevensgezindheid, trouw en mededogen voor zijn naasten. Hij moet door zijn charisma een grote indruk hebben gemaakt op zijn medemensen, want na zijn dood leefde zijn herinnering voort met de verering aan zijn graf. Bij dit graf was een oratorium met een kloostergemeenschap ontstaan, zoals gebruikelijk in die tijd voor mannen en vrouwen. De stichting groeide uit tot een villa met een eigen kerk(je) en na verloop van tijd werd de eerste asceet aangezien als dominus of heer. Zijn verering werd bevorderd door de leden van de kloostergemeenschap, die zijn stoffelijke resten overbrachten naar het villakerkje. Nadat de nieuwe munsterkerk was gebouwd in 754 (ongeveer op de plaats van de huidige kerk) en de kloostergemeenschap er naartoe verhuisde, nam men de relieken mee en werden ze plechtig verheven.

Wonderlijke verhalen

Geleidelijk vond het geloof in zijn heiligheid gestalte in een aantal wonderverhalen, die hem aan de oorsprong plaatsten. De lokale heilige kreeg echter ook een politieke betekenis toen hij de beschermpatroon werd van de Karolingische macht in de streek, als buffer tegen de Friezen die toen tot tegen Antwerpen waren opgerukt. De oorspronkelijke villa groeide uit tot een oppidum en de kloostergemeenschap evolueerde tot een kanunnikenkapittel. Omstreeks 980 moest de vervallen abdijkerk herbouwd worden (tot de romaanse kerk die de huidige gotische voorafging). Dit gaf aanleiding tot de heropwekking van de Sint-Gummarusverering (meer pelgrims brachten meer geld in 't laatje om de kerk te bekostigen) en het schrijven van de vita (als publiciteit voor de Sint-Gummarusverering), waarschijnlijk door een kanunnik van het kapittel.

De wonderverhalen in de vita van Sint-Gummarus hoorden thuis in het aanvankelijk kleine milieu van gelijkgezinde mensen, die de waarden probeerden te beleven waarover in het leven van Sint-Gummarus werd verteld. Ze wilden bewondering en eenheid verwekken, oproepen tot geloof en vertrouwen, en tot aansporing aanzetten. Zo is het wonder van de omgehakte boom zeker het best gekende mirakel van de Lierse heilige.

 

 Bedevaart naar Rome

Sint-Gummarus wou naar Rome op bedevaart gaan. Met zijn gezellen kampeerde hij langs de Nete en om zijn tent vast te zetten, beval hij een eik te vellen. De grondeigenaar liet dat zo maar niet gebeuren en protesteerde heftig bij Sint-Gummarus. Om het aangedane onrecht te herstellen, liet deze laatste de beide boomhelften terug op mekaar plaatsen. Hij wond er zijn gordel om en zie ... de boom was terug gezond en wel. Zelfs de bijlsnede was niet meer te zien. Enkel de afdruk waar de gordel had gezeten, viel nog te bespeuren.

Verering

Zo ontstond door de bekendmaking van dit opzienbarend verhaal (en van nog vele andere) een toeloop naar zijn graf, waarbij de pelgrims Sint-Gummarus' hulp kwamen inroepen tot herstel van allerlei breuken, niet alleen die van de broze botten, maar ook die in de huwelijksrelatie kunnen toeslaan. Tot op vandaag komen de bedevaarders in de noveen rond de feestdag van Sint-Gummarus (11 oktober) de ''Man Gods'' om genezing vragen van kwalijke breuken of zijn hulp afsmeken om gevrijwaard te blijven van fracturen. Sinds onheuglijke tijden wordt daarbij het ritueel van de bandoplegging uitgevoerd: bij het uitspreken van de zegening legt de priester de gordel van Sint-Gummarus op de schouders van de pelgrim.
 
De Gummaruskerk in Lier (Belgie)

Romaans kerkje

Op het einde van de veertiende eeuw kende de Netenstad een hoogconjunctuur, want het Brabantse laken evenaarde in kwaliteit het zo geroemde Vlaamse en was tot ver in Europa een zeer gegeerd product. Voor de groeiende Lierse bevolking was de romaanse kerk die dateerde van het einde van de tiende eeuw te klein geworden en de helende kracht van de stads- en kerkpatroon had een dermate grote weerklank gevonden, dat de pelgrims tegen mekaar aandrumden in het reeds door vier eeuwen geteisterde romaanse heiligdom.
 Gotische kerk

De nieuwe gotische kerk werd gewoon over de oude kerk heen gebouwd, te beginnen met de befaamde toren. Omstreeks 1578 kon zowat de laatste hand gelegd worden aan het gotische gebedshuis, in een tijd die melk en honing had zien opdrogen in een door godsdienstoorlogen en -twisten gespleten land en verscheurde bevolking. Toch realiseerden de Lierenaars in de 200 jaar durende bouwperiode een merkwaardige heilige plaats voor hun patroon. Opvallend trouw en consequent werd de Brabantse gotische traditie in het sacrale bouwwerk uitgevoerd, alsof gedurende twee eeuwen één en dezelfde architect aan het roer had gestaan, terwijl in werkelijkheid na Hendrik Mijs meerdere bouwmeesters zoals Jan en Andries Keldermans, Jan Van Hazeldonck, Herman en Domien de Waghemaker, .... de werkzaamheden hadden geleid.

Parel van de Brabantse gotiek

Daardoor geldt de Collegiale van Lier als de allergaafste parel aan de Brabantse gotische kerkenkroon. Haar interieur onderscheidt zich door een klassieke, drieledige opstand van het zuiverste Brabantse type, namelijk:
              de ogivale scheibogenarcade, met daarboven
              het rijkbetraliede triforium, waarvan de monelen doorlopen in
              de spitsboogramen, die eindigen in een korf van gotisch maaswerk
De typische Brabantse rondzuilen zijn aanwezig die bovenaan een fors koolbladkapiteel vertonen met dubbele bladerenkrans en daar bovenop een achtkantige, geprofileerde deksteen. Op de pilaarkapitelen vertrekken de kwartzuilige schalken die het eenvoudige, maar door de Brabantse bouwmeesters zeer geliefde kruisribgewelf schragen.

Zoals het hoort bij een kerk in Brabantse gotiek werd de buitenzijde heel sober gehouden. Maar toch schuilt er ook in dit puurste voorbeeld van Brabantse gotiek een schoonheidsfoutje: aan de buitenzijde ontbreken rond het hoogkoor de typische zadeldakjes op de straalkapellen. Maar daar hebben de Lierse voorvaderen een geldig excuus voor: geldgebrek in de fase van de bedaking noopte tot de goedkopere schild- en lessenaarsdakjes.